Ik likte het raam
Ik likte het raam. Beneden liepen twee vrouwen gearmd, een van hen droeg een jurk die opwaaide in de wind, terwijl ze kletsten gingen ze in elkaar op. Ze keken niet op of om. Het raam proefde bitter naar zeep, het voelde koel aan mijn tong. Een sliert met schoolkinderen kwam aangekropen, twee aan twee allemaal in het donkerblauw met witte boordjes. Twee juffen liepen in fluohesjes voorop, twee meesters liepen in het midden en twee juffen sloten de rij af. Het was net een lange slang met de hesjes van de leraren als oranje ringen. Al het verkeer en iedere voorbijganger stopte en wachtte tot de sliert veilig op de stoep was. Zo ging hij verder langs de huizen. Ik hoorde ze praten en lachen. Ze klonken als vogels. Ik probeerde hun stemmen te vangen in natte kusjes tegen het glas.